(c) On'wijs 2003

algemeen   elck sinen dike   luctor et emergo   groei van een eiland


Elck sinen dike

De bedijkte stukken land werden polders genoemd. De grondeigenaren waren verantwoordelijk voor het onderhoud van de dijken. Dat onderhoud bleef beperkt tot de eigen polder. Ieder zorgde voor zijn eigen stukje dijk. (Elck sinen dike).

Er werd ook wel gezegd:
Wie 't water deert,
die 't water keert.


Op die manier ontstond een lappendeken aan polders, met elk hun eigen bestuur. In het bestuur zaten boeren met veel grond. De voorzitter wordt dijkgraaf genoemd. De polderbesturen, die later waterschappen werden genoemd, werkten niet of nauwelijks samen. Achteraf gezien werd ook te weinig geld uitgetrokken voor het noodzakelijke onderhoud. De boeren vonden de polderlasten al gauw te hoog. Je kon je geld beter uitgeven aan je boerderij of je grond.

Van een gemeenschappelijk beheer van de buitendijken, die grensden aan het water,  was geen sprake. De polders die grensden aan het water waren natuurlijk meer geld kwijt dan andere polders. Het was eerlijker geweest wanneer de lasten beter verdeeld werden, maar ieder dacht alleen aan zichzelf. 

Dit was één van de oorzaken van veel overstromingen, waaronder de ramp van 1953.

In 1953 waren er in Zeeland 387 polder en waterschapsbesturen. Dit aantal laat zien dat van samenwerking nauwelijks sprake was.
 

 

 

<< Polderbesturen aan de zeekant (groen) waren altijd meer geld kwijt dan de binnenpolders (rood).

Meestal waren de bestuurders van de binnenpolders niet bereid om mee te betalen aan het beheer van de buitendijken of zeedijken.